Homeopathie

De homeopathische leer heeft het gelijksoortigheidsbeginsel als uitgangspunt.
Dit beginsel volgt het adagium similia similibus curentur (“het gelijke wordt door het gelijkende genezen”). Het stelt dat een ziekte genezen kan worden door een middel dat bestaat uit een verdunde oplossing van een stof die dezelfde symptomen veroorzaakt als de ziekte. Een voorbeeld is de nosode (Grieks nosos, ziekte), ge

maakt van de ziekteverwekker of ziek weefsel. Daarnaast veronderstelt de homeopathische leer dat tijdens het potentiëren, waarbij de grondstof of oertinctuur in een aantal stappen extreem verdund en geschud wordt, de werking van de grondstof overgaat op het oplosmiddel.

Homeopathische middelen worden bereid op basis van zeer diverse grondstoffen en materialen, waaronder stoffen van minerale, plantaardige of dierlijke oorsprong die bij toediening in pure vorm geacht worden juist die symptomen te geven die lijken op die van de te bestrijden ziekte. In de industrie wordt uit kostenoverwegingen gepotentieerd door het middel machinaal krachtig in het oplosmiddel te spuiten. Het extreem verdunde eindproduct wordt geacht zonder bijwerkingen de ziektesymptomen te doen verdwijnen. Het boekwerk Materia Medica Pura — waar Hahnemann in 1811 een begin mee maakte en dat sindsdien werd uitgebreid — vormt de basis van de geneesmiddelkennis van de homeopathie. Zowel verdunde als onverdunde middelen worden hierin opgenomen.